Noord/Zuid-verschillen in de Nederlandse standaardtaal Magda Devos Universiteit Gent Het Algemeen Nederlands van Vlamingen wijkt in een aantal opzichten af van het Nederlandse AN: aan de eerste zin die iemand uitspreekt, hoor je of de spreker een Vlaming of een Nederlander is. De verschillen liggen vooral op het gebied van de uitspraak. De verzorgde schrijftaal in Noord en Zuid vertoont een veel grotere eenheid. Naast systeemverschillen bestaan er tussen beide landen ook verschillen in de functionaliteit van de standaardtaal. In Nederland wordt het AN al langer door meer mensen en in meer situaties gesproken dan in België. Vlamingen hebben dan ook een achterstand tegenover de Nederlanders wat AN-beheersing betreft: ze uiten zich minder vlot, hebben weinig gevoel voor registerverschillen, durven niet creatief om te gaan met de mogelijkheden van de standaardtaal en hun idioom bevat nogal wat regionale ingrediënten. De oorzaak van de verschillen ligt niet in het dialectlandschap. De drie zuidelijk-Nederlandse dialectfamilies zijn grensoverschrijdend: Vlaams wordt gesproken in de Belgische provincies West- en Oost-Vlaanderen en in het Nederlandse Zeeuws-Vlaanderen, Brabants bestrijkt de Belgische provincies Vlaams-Brabant en Antwerpen alsook de Nederlandse provincie Noord-Brabant, Limburgs wordt gesproken in de provincies Belgisch- en Nederlands-Limburg. Vanuit het oogpunt van het dialect is de rijksgrens dus geen taalgrens. De oorzaken van de Noord/Zuid-verschillen in de Nederlandse standaardtaal liggen in de geschiedenis. Voor een goed begrip van die verschillen moeten we teruggaan tot de periode waarin de Nederlandse standaardtaal tot ontwikkeling kwam. 2. Historische achtergrond In de zestiende eeuw waren zowat overal in Europa de omstandigheden rijp voor de vorming van interregionale cultuurtalen. De wereld was groter geworden door de ontdekking van nieuwe continenten. Door de toename van handelscontacten en interregionaal verkeer deed zich de noodzaak voelen aan een eenheidstaal. Tezelfdertijd creëerde de uitvinding van de boekdrukkunst ongekende mogelijkheden voor de verspreiding van het geschreven woord, en hoe algemener de taal, hoe groter het mogelijke verspreidingsgebied van een boek of geschrift. Het opkomende protestantisme maakte intensief gebruik van de drukpers om bijbels in de volkstaal en pamfletten te drukken. Bovendien leidde de homocentrische filosofie van het humanisme automatisch tot een streven om de volkstaal te verheffen tot taal van kunst en wetenschap en om die taal zo te cultiveren dat ze de vergelijking met de klassieke talen kon doorstaan. In dat historische klimaat kwam ook in de Nederlanden een standaardiseringsproces op gang, waarbij de taal van het toenmalige culturele centrum, het hertogdom Brabant en meer in het bijzonder de stad Antwerpen, model ging staan voor de verzorgde spreektaal en de gecultiveerde schrijftaal. Het zag er in die dagen dan ook naar uit dat het Brabants, en vooral het Antwerps, de kern zou gaan vormen van de Nederlandse standaardtaal. Politieke ontwikkelingen hebben er evenwel anders over beschikt. In 1566 begint, met de Beeldenstorm, de Tachtigjarige oorlog van de Nederlanden tegen Spanje. Die oorlog liep uit op een scheiding van de Nederlanden. In 1585 viel de belangrijkste zuidelijke stad, Antwerpen, opnieuw in Spaanse handen. Daarop riep het Noorden zich uit tot onafhankelijke republiek. Het Zuiden, waar nochtans de oppositie tegen het Spaanse absolutisme en de inquisitie het hevigst was en de protestantse stromingen veruit de meeste aanhangers telden, kwam opnieuw onder Spaans bewind en zag zijn culturele hegemonie voorgoed verloren gaan. Voortaan was Holland, het centrum van de nieuwe republiek, het spraakmakende centrum van het Nederlandse taalgebied. Daar werd de ontwikkeling van de standaardtaal met grote ijver doorgezet. Voor de beschaafde spreektaal richtte men zich voortaan op de Hollandse stedelijke burgerij, de schrijftaal werd sterk beïnvloed door het toen nog altijd prestigieuze Brabants. De politieke scheiding tussen Noord en Zuid sloot Vlaanderen voor lange tijd af van de taalevolutie in het Noorden. Toch zou het onjuist zijn te stellen dat het Zuiden helemaal niets tot de cultuurtaal heeft bijgedragen. Ten eerste was er de massale uittocht van Vlamingen naar het Noorden na de val van Antwerpen. Die gingen zich vooral vestigen in de Hollandse steden en velen maakten weldra deel uit van de toonaangevende kringen. Op die manier werden zuidelijke taalkenmerken de “spraakmakende gemeente” binnen gebracht, al mogen we de bijdrage van die zuidelijke, en met name Brabantse, taalvormen aan de beschaafde spreektaal niet overschatten. Die spreektaal was in de eerste plaats op het Hollands geënt, en naarmate de jonge republiek aan zelfvertrouwen won, taande het prestige van het aanvankelijk hoog geschatte Brabants zienderogen ten voordele van autochtoon Hollandse taalkenmerken (zie bv. toneelstukken als Warenar van Hooft en De Spaanse Brabander van Bredero, waarin het deftige Brabantse idioom over de hekel wordt gehaald). Veel belangrijker, want van blijvende aard, was de invloed van het Zuiden op de verzorgde schrijftaal. Die werd voor het eerst vastgelegd in de Statenbijbel, een geschrift dat weliswaar niet taalnormerend bedoeld was, maar in de praktijk toch als zodanig werd opgevat en gehanteerd. De commissie van vertalers heeft uit de verschillende dialectische alternatieven dikwijls de zuidelijke taalvorm gekozen, wat meebracht dat de geschreven standaardtaal veel dichter dan de spreektaal aansloot bij de bovengewestelijke (Brabantse) norm die zich voor de scheiding der Nederlanden over het hele taalgebied aan het verspreiden was. De bevolking die in het Zuiden achterbleef, heeft geen deel gehad in de verdere ontwikkeling en elaboratie van de Nederlandse standaardtaal. In de eeuwen volgend op de staatkundige scheiding had Vlaanderen nauwelijks voeling met de taaldynamiek in het Noorden. Niet dat we ons de rijksgrens in die dagen moeten voorstellen als een ijzeren gordijn: er zijn altijd handels- en culturele betrekkingen geweest tussen beide landen en er sijpelde altijd wel iets van de noordelijke standaardtaal door naar het Zuiden. Maar het segment van de bevolking dat daarbij betrokken was, bleef lange tijd erg klein. Voor een nieuwe, inheemse taalbeweging, te vergelijken met die van de zestiende eeuw, was er in Vlaanderen geen ruimte. Een maatschappelijke laag om zo’n beweging te inspireren en te dragen, was onbestaande, want zowat de hele intelligentia was uitgeweken naar het Noorden, waar (aanvankelijk) vrijheid van godsdienst bestond en waar vrij onderzoek en artistieke ontplooiing niet bedreigd werden door middeleeuws obscurantisme en inquisitie. Anders dan het Noorden miste Vlaanderen dus een binnenlandse spraakmakende gemeente. De hogere kringen waren verfranst, niet alleen onder de opeenvolgende buitenlandse overheersers (Spanjaarden, Oostenrijkers, Fransen) maar ook nog na de Belgische onafhankelijkheid (1830). Het zou tot in de negentiende eeuw duren alvorens een nieuwe Vlaamse culturele elite ging ijveren voor de opwaardering van het Nederlands in België en de erkenning ervan als officiële landstaal naast het Frans. Pas na ongeveer een eeuw actie van de Vlaamse Beweging werd dat doel verwezenlijkt. 3. De eenheid van het Nederlands Gezien de gescheiden ontwikkeling van Nederland en Vlaanderen sinds het einde van de zestiende eeuw, wekt het enige verwondering dat de mate van eenheid tussen het Nederlandse en het Belgische Nederlands zo groot is, althans wat de formele stijlregisters van de spreektaal en de verzorgde schrijftaal betreft. De verschillen tussen beide variëteiten zijn bij voorbeeld kleiner dan die tussen de verschillende nationale variëteiten van het Engels. Er bestaat dus geen objectieve grond om van twee verschillende talen te spreken. Die grote mate van eenheid laat zich uit twee factoren verklaren. 1. De inbreng van zuidelijke elementen in de Nederlandse standaardtaal door naar Holland uitgeweken Vlamingen op het einde van de 16^e en in het begin van de 17^e eeuw. Vooral in de schrijftaal is die inbreng dankzij de Statenbijbel van groot belang geweest. 2. Veel belangrijker is de bewuste keuze van de Vlaamse Beweging in de 19^e eeuw om het taalkompas op het Noorden te richten. De Vlaamse Beweging zag zich geconfronteerd met de vraag welk soort Nederlands te propageren als standaardtaal in Vlaanderen. Zou men aansluiting zoeken bij het Noorden, of diende de standaardtaal een eigen Vlaams karakter te hebben? In dat opzicht stonden in de Vlaamse Beweging twee strekkingen tegenover elkaar, de integrationisten en de particularisten. De integrationisten waren intellectuelen van liberale en gematigd-katholieke strekking, die overtuigd waren van de emancipatorische rol van een standaardtaal. Ze waren van oordeel dat Vlaanderen zich op taalgebied op het Noorden moest richten. Hun argumenten hiervoor waren zowel van taalpolitieke als van praktische aard: - Om de verfranste elite ervan te overtuigen dat het Nederlands even geschikt is als het Frans als officieel communicatiemiddel in bestuur, rechtspraak, onderwijs, enz. lag het voor de hand om te verwijzen naar Nederland, waar de standaardtaal al die functies al eeuwen met succes vervulde. - Aangezien er al een Nederlandse standaardtaal bestond, kon men beter het AN van het Noorden overnemen dan te proberen een eigen Vlaamse standaardtaal te creëren. Aan de andere kant van het spectrum stonden de particularisten. Deze groep bestond grotendeels uit katholieke priesters van uitgesproken conservatieve signatuur. Ze waren tegenstanders van de ideeën van de verlichting en de Franse revolutie en tevens waren ze fervent anti-Hollands. Hun afkeer van de Noord-Nederlandse standaardtaal was ingegeven door godsdienstige motieven. Het “Hollands” beschouwden zij als de taal van het “ketterse” Noorden, ze vreesden dat met de taal ook het protestantse geloof naar Vlaanderen over zou waaien. Welke standaardtaal de particularisten dan wél wilden, is nooit helemaal duidelijk geworden. Uit hun geschriften blijkt dat ze argwaan koesterden tegen élke vorm van bovenregionaal taalgebruik. Wel spanden ze zich in om zo veel mogelijk Vlaams taalgoed te laten opnemen in het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), dat sinds de jaren 1850 in Leiden werd samengesteld. Veel particularisten waren dan ook dialectlexicografen, hun dialectwoordenboeken worden tot op vandaag intensief geraadpleegd. De discussie over de norm voor het Nederlands in Vlaanderen werd beslecht in het voordeel van de integrationisten: voor de Vlaamse standaardtaal zou men zich op het Noorden oriënteren. Vandaag is de taalnorm in het Vlaamse onderwijs en in de overheidsinstellingen nog altijd de Nederlandse, al moeten daarbij twee kanttekeningen worden gemaakt. - nooit is in Vlaanderen de Noord-Nederlandse uitspraaknorm opgelegd - de jongste decennia is er in taalbeleidskringen meer tolerantie gegroeid tegenover Vlaamse taalkenmerken in het AN. De Nederlandse Taalunie erkent het bestaan van Belgisch Nederlands als standaardtaalvariëteit naast het Nederlandse Nederlands en, sinds 2003, het Surinaamse Nederlands. In Vlaanderen blijven de meningen echter verdeeld over hoe ver men kan en mag gaan in het gedogen van regionale variatie binnen de standaardtaal. 3. Kenmerken van het Belgisch Nederlands 3.1. Uitspraak Belgisch Nederlands Nederlands Nederlands zacht klinkerbegin, bv. vanoveral hard klinkerbegin, bv. van ‘overal zachte (= stemhebbende) g harde (= stemloze) g stemhebbende v en z in de anlaut, bv. vader, zingen verstemlozing, bv. fader, singe bilabiale w labiodentale w (= v-achtig) tongpunt-r overweegt huig-r overweegt monoftongische uitspraak ee, eu, oo, bv. been, reus, groot diftongische uitspraak, bv. beejn, reujs, chrowt Franse uitspraak Engelse leenwoorden, bv. tram, reesietàl ‘recital’, plastièk Engelse uitspraak: trem, riesaajtel, plèstiek suffix –tie: uitspraak –sie, bv. polisie, arrestasie, justisie, evaluasie Uitspraak –tsie, bv. politsie, arrestaatsie, justitsie, evaluaatsie 3.2. Lexicon 3.2.1. Belgicismen = woorden met betrekking tot Belgische of Vlaamse instellingen en met de maatschappelijke organisatie in België. Sommige hebben een Nederlands equivalent, andere niet. België Nederland provinciegouverneur commissaris van de koningin procureur des konings officier van justitie schepen wethouder mutualiteit ziekenfonds douane-agentschap expeditiekantoor interimbureau uitzendkantoor bankkaart betaalpas kinesist fysiotherapeut onderpastoor kapelaan kijkwoning modelwoning nieuwkuis stomerij opbrengsteigendom beleggingspand garagist garagehouder perte totale total loss rittenkaart (openbaar vervoer) strippenkaart vooropzegging ontslagaanzegging assisenhof - taalrol - vluchtmisdrijf - 3.2.2. Invloed van het Frans Franse woorden: chauffage ‘verwarming’, autostrade ‘autosnelweg’, camion ‘vrachtwagen’, allez! ‘komaan!’, lavabo ‘wastafel’, sacoche ‘(dames)handtas’ Gallicismen (= leenvertalingen) schatbewaarder (< Fr. trésorier) ‘penningmeester’ dagorde (< Fr. ordre du jour) ‘agenda (van een vergadering)’ zakencijfer (< Fr. chiffre d’affaires) ‘omzet’ het is zijn fout (< Fr. c’est sa faute) ‘het is zijn schuld’ zich verwachten aan (< Fr. s’attendre à) ‘verwachten’ zijn kandidatuur stellen (< Fr. poser sa candidature) ‘zich kandidaat stellen’ neen aan …! (< Fr. non à) ‘weg met…!’ Invloed van het dialect (vooral Brabants) Sinds de 16^e eeuw geniet het Brabants in Vlaams-België de status van beschaafdste dialect en straalt het zijn kenmerken uit in westelijke (Vlaanderen) en oostelijke (Limburg) richting. Door deze uitstraling, in de Nederlandse taalkunde Brabantse expansie genoemd, raakten veel woorden algemeen verspreid in de dialecten en wisten ze zich ook toegang te verschaffen tot het Belgische AN. Voorbeelden: hesp ‘ham’ beenhouwer ‘slager’ schrijnwerker ‘timmerman’ schoonbroer ‘zwager’ plezant ‘plezierig, leuk’ kieken ‘kip’ poetsvrouw ‘schoonmaakster’ weeral ‘alweer’ 3.2.3. Boekentaal (archaïsmen) en hypercorrectie archaïsmen: generaties lang hebben Vlamingen hun Algemeen Nederlands uit de boeken geleerd. Nog altijd maken Vlaamse AN-sprekers gebruik van woorden en uitdrukkingen die in Nederland in onbruik zijn of enkel nog gebruikt worden in plechtige taal en (zeer) formele schrijftaal. Voorbeelden: vermits, ofschoon ‘hoewel’ huwen ‘trouwen’ woonachtig zijn ‘wonen’ heden ‘vandaag’ gans ‘heel’ nagerecht ‘dessert’ hypercorrectie (vaak uit exogenisme), bv. noemen ‘heten, een naam dragen’, bv. Haar dochter noemt Sofie. hoeven ‘moeten’, bv. Je hoeft dringend te komen. terug ‘weer, opnieuw’, bv. Het begon terug te regenen. purisme = een kunstmatige woordschepping uit inheems taalmateriaal om een (ingeburgerd) woord van vreemde (in casu Franse) oorsprong te vermijden, bv. middens ‘kringen, milieus’ inrichten ‘organiseren’ geldbeugel ‘portemonnee’ regenscherm ‘paraplu duimspijker ‘punaise’ autogeleider ‘chauffeur’ 3.2.4. Morfologie en syntaxis Promina 2^e persoon Het AN-systeem kent twee pronominale paradigma’s: vertrouwelijkheidsvormen (je, jou, jouw / jullie) en beleefdheidsvormen (u, uw). Het systeem dat in het gesproken Belgisch Nederlands wordt gebruikt, wijkt in twee opzichten af van het AN-systeem: - er is maar één paradigma (zoals in het Engels) - daarbij wordt heel vaak de gij-vorm gebruikt, die in het AN enkel in plechtige taal voorkomt. Het gij-systeem is inheems in de Brabantse dialecten (het West-Vlaams je-vormen en het Limburgs du-vormen) en kwam door Brabantse expansie binnen in het Belgisch Nederlands. Verbuiging van het adjectief bij onzijdige substantieven in het enkelvoud, bv. BN: het/ons groot huis - NN: het/ons grote huis Volgorde in de drieledige werkwoordelijke eindgroep BN: voltooid deelwoord tussen de hulpwerkwoorden, bv. [dat ik] zal gewerkt hebben NN: voltooid deelwoord voor of na de hulpwerkwoorden, bv. [dat ik] gewerkt zal hebben / zal hebben gewerkt Doorbreking van de werkwoordelijke eindgroep BN: Ik heb er niets willen over zeggen - NN: Ik heb er niets over willen zeggen BN: Ze vroeg of ze mocht naar huis gaan – NN: Ze vroeg of ze naar huis mocht gaan